
Honing als geneesmiddel[i]
Zodra honing zijn weg door het menselijk lichaam begint, heeft hij al een weldadige invloed. Dat is dus in de mondholte, keel en slokdarm. Bij hardnekkige en vervelende mond- en keelontstekingen is het raadzaam enkele malen per dag een eetlepel honing in te nemen en die zolang in de mond te houden tot hij goed met het speeksel is vermengd en opgelost.
Bij chronische en acute amandelontsteking, tonsilitis, die in de eerste plaats natuurlijk door een arts moet worden behandeld, omdat het ondanks alles soms toch nodig is operatief in te grijpen, is de honing als ‘eerste hulp’ zeker effectief. Dikke, of nog liever gekristalliseerde honing heeft op de ontstoken amandelen een bacteriedodende, ettertrekkende uitwerking en remt ontsteking. Na de Tweede Wereldoorlog hebben Duitse artsen zelfs difterie alleen met honing bestreden, door enkele weken amandelen, en keel- en neusslijmvliezen met honing te bestrijken.
Het bekendste effect van honing als voedings- en geneesmiddel is zeker de versterkende werking. Aangezien honing voornamelijk bestaat uit hexosen, dat wil zeggen monosacchariden, hoeft ons spijsverteringskanaal niets meer te doen om de invertsuiker te ontleden. De glucose kan direct door het bloed worden opgenomen en staat daardoor onmiddellijk ter beschikking in de vorm van energie. Vandaar dat uitputtings- en vermoeidheidsverschijnselen zeer effectief met honing worden bestreden.
Sportbeoefenaars die niet alleen langdurige prestaties moeten leveren, maar ook topprestaties op korte termijn, nemen vaak honing in hun dieet op. Bijen hebben zelfs, indirect, meegedaan aan de bestijging van de Mount Everest door Sir Edmund Hillary in 1953. Hillary, die uit NieuwZeeland komt, is zelf imker en bij de eerste bestijging had hij twee kilo honing bij zich als compacte voeding.
Chemisch samengestelde druivesuiker is ook druivesuiker, maar heeft toch niet hetzelfde effect als het ‘gecombineerde preparaat’ honing. De enzymen, hormonen, groeistoffen en de organische zuren verlenen aan honing-druivesuiker een onvergelijkbaar energiepotentieel, zoals door veel artsen is ontdekt.
Honing heeft direct invloed op het hart. Honing heeft namelijk, net als de bekende ‘hart’planten digitalis (vingerhoedskruid) en crataegus (meidoorn) direct invloed op de hartfunctie, al via het tongslijmvlies. Daarna passeert de honing de maag-darmdrempel en staat dan direct het bloed en dus het hart ter beschikking.
De Naumheimer arts Eberhard Koch heeft door lange series proeven de werkzaamheid van honing op de hartfunctie bewezen. Hij was zo onder de indruk van het effect van honing, in tegenstelling tot het effect van oplossingen van pure vruchte-, druive- of invertsuikers, dat hij het vermoeden kreeg dat er een specifieke stof in honing moest zijn, een stof die hij ontdekte en later de ‘glycutil-factor’ noemde.
Wij weten tegenwoordig dat die factor niets anders is dan
de neurotransmittersubstantie acetylcholine. Deze stof wordt aangemaakt in het cytoplasma van de zenuweinden, in speciale kamers opgeslagen en, zodra een prikkel doorgegeven moet worden, vrijgegeven.
Maar de geneeskracht van honing was al veel eerder dan deze ontdekking een erkend feit. Honing wordt toegepast bij coronaire doorbloedingsstoornissen, hartritme-stoornissen, ontstekingen van de hartspier, beschadigingen van het hart ten gevolge van infectieziekten of een hartinfarct, bij verhoogde bloeddruk en ter ondersteuning van een digitalis-medicatie.
De Weense dierenarts Franz Pfeiler heeft in zijn proefschrift uit 1953 Bzjenhoning als hartmiddel al bewezen dat honing in een verdunning van 1:50 kikkerharten die aangetast waren door kaliumchloride, weer aan het kloppen bracht. Bij deze proeven werd duidelijk aangetoond dat ho-fling beter werkt dan gewone druivesuiker.
Door Pfeiler, Koch, Becker, Brockmann, Büdingen, Nicolai, Küstner en vele anderen is het effect van honing op het hart duidelijk aangetoond. We kunnen ons slechts verbazen dat al dat belangrijke onderzoek en ook het werk van vele andere artsen op het ogenblik niet in praktij k wordt gebracht of zelfs maar bekend is. En de therapie is toch zo eenvoudig. Slechts dagelijks drie tot vijf lepeltjes honing in de mond laten smelten, uiteraard bij de gewone medicamenteuse behandeling door een arts.
Honing wordt snel door het bloed opgenomen. We kunnen dus ook een zeker effect veronderstellen op het afweersysteem van het bloedserum. De Amerikaanse arts William G. Peterson heeft, door deze gedachte geleid, patiënten met hooikoorts behandeld met honing. 90% van de door hem behandelde patiënten met hooikoorts of andere allergieen genazen of verbeterden aanzienlijk. We moeten hier wel aan toevoegen dat hij gebruik maakte van honing die uit dezelf
de buurt afkomstig was als zijn patiënten - een homeopathisch principe waar we later nog op terug zullen komen.
In de maag heeft honing in de eerste plaats een stabiliserend effect op het zuurgehalte. Eppinger gebruikt honing als medicament bij rolkuren (een vorm van behandeling van maagaandoeningen, waarbij de patient het geneesmiddel s morgens op de nuchtere maag in moet nemen en daarna telkens vijf minuten op de rug, de buik, linker- en rechterzijde moet gaan liggen), speciaal bij maagzuur ten gevolge van nerveuze geprikkeldheid. Russische artsen beschrijven gelijksoortige behandelingen met goed gevolg.
Koch ontdekte dat honing de stofwisseling stimuleert en daardoor zeer geschikt is voor mensen met een trage stoelgang als gevolg van een zittend beroep of een zittend leven en voor mensen die van nature neigen tot obstipatie. Uit allerlei proeven is bovendien gebleken dat de waardevolle bijenfermenten niet afgebroken worden door de darmfermenten. Bij het ouder worden neemt de darmfunctie af; veel oudere mensen klagen over obstipatie en spijsverteringsstoornissen. Als de gewone suikers, die door de zwak geworden of vaak zelfs niet meer aanwezige darmenzymen niet meer afgebroken kan worden, uit het voedselpakket wordt weggelaten en daarvoor in de plaats honing wordt gegeven, houden de klachten dikwijls op, volgens Baumgarten.