
Proeven op mensen en hun resultaat ontlenen wij aan Chauvin, Traité, 1968. Zijn vriend Lenormand had omstreeks 1950 koninginnegelei ingespoten bij een patiënt die ten gevolge van een beroerte zeer verzwakt was, trilde, alles liet lopen en bij wie alle lichamelijke en geestelijke functies gestoord waren (hij had deze proef waarschijnlijk geriskeerd omdat hier nauwelijks nog iets te verliezen was). Het effect was verbluffend. Binnen drie dagen was de man weer in orde, de algemene toestand goed.
Destrem in Bordeaux (1956) had 134 patiënten 6 tot 12 maal met een tussentijd van 2 dagen per keer 20 mg opgeloste koninginnepap in de aderen ingespoten.
Hij koos daarvoor 70- tot 75-jarigen, die aan ouderdomskwalen leden zoals gebrek aan eetlust, vermagering, geestelijke depressies. In de regel was de uitwerking na de zesde injectie merkbaar. De eetlust kwam terug, het gewicht nam toe, de zieke voelde zich wel.
Bij lieden met een te lage bloeddruk steeg deze, bij mensen met een te hoge niet.
Destrem heeft koninginnepap ook geprobeerd bij jeugdigen die aan geestelijk- nerveuze stoornissen leden, tot uitdrukking komend in zelfmoordgedachten, zwaarmoedigheid en angstcomplexen. Velen daarvan waren al op een of andere wijze zonder succes behandeld. Ook bij hen was bet resultaat zeer goed. Ze namen in gewicht toe, konden weer slapen en bet kwam zelfs tot een volledige genezing. Daarbij had toediening door de mond niet minder effect dan injecties. Hij is ervan overtuigd dat koninginnepap vooral voor de behandeling van ouderdomssymptomen veel aandacht verdient. Vanzelfsprekend wisten de patiënten niet wat ze kregen. Ook werd de werking door placeboproeven gecontroleerd (placebo - men geeft de zieke ‘middelen’ die er uitzien als geneesmiddelen, maar in werkelijkheid niets anders bevatten dan water en suiker of jets dergelijks: daardoor kan men nagaan wat aan medicijnen is toe te schrijven en wat aan inbeelding).
Sarrouy, Raffi en Leutenegger, Algiers, gaven koninginnegelei bij sterke ondervoeding. Vaak wordt het weg teren van het weefsel niet tegen gegaan door de gebruikelijke middelen als transfusies van eiwitoplossingen, melkpreparaten, antibiotische middelen, enz. Met koninginnegelei bereikten ze een snelle gewichtstoeneming, betere algemene toestand, vitaliteit en eetlust. De kinderen verliezen hun verwrongen, ouwelijke gelaatsuitdrukking, krijgen kleur, worden levendig, hun gebrek aan interesse voor de omgeving verdwijnt. Men moet echter meer geven dan de 7 tot 8 injecties die normaal gegeven worden om goede resultaten te bereiken. Autosuggestie was hier uitgesloten.
Mormone, Nunziata en Spina gaven onderontwikkelde kinderen injecties met koninginnegelei waarvan van het eiwit was verwijderd, in de aderen. Ook zij namen een verbetering van gewicht, bloedsamenstelling en eetlust en een vooruitgang in de algemene toestand waar. Het bloedsuiker in de capillairen en aderen steeg reeds na een half uur met 47%, na een uur met nog eens 22%. De Thorn-test was positief. Ettering van de huid, bloedbezinking en glycogeenspiegel van de witte bloedlichaampjes werden gunstig beïnvloed.
Lenzi, Murano en Martinetti vonden na giften van 100 - 200 mg koninginnegelei een verhoging van de zuurstofbenutting, ook zonder verandering van het bloed. De Italianen Properi, Ragazzini en Francatancia (1956) gaven 4- tot 22-maanden oude kinderen die aan levensgevaarlijke stoornissen van de spijsvertering leden 11 tot 61 dagen lang 10 tot 50 mg koninginnegelei. Het effect op gewicht, bloedsamenstelling en eiwitbestand was bevredigend. Helaas gaven ze geen nadere details. Martinetti en Caracristi vonden bij 14 kinderen na 50 mg koninginnegelei een ongeveer 24% hogere zuurstofomzet. Ze meenden dat een dergelijke werking niet alleen door een zo klein dosis koniginnegelei kan worden veroorzaakt. Er moet een specifieke werking op de bloedsuiker zijn.
Telatin (1956) nam bij geestelijk-nerveus gestoorde kinderen verbetering van hun stemming en hun gewicht waar.
Weber gaf aan 3 tot 12 maanden oude aan mongolisme lijdende kinderen dagelijks 100 mg koninginnepap. Mongolisme is een zware met groeistoornissen, vervormingen, geringe klierwerking en zwakzinnigheid gepaard gaande ziekte. Karakteristiek zijn gezichtsstoornissen, het op mongoloïde wijze trekken van de oogleden, gebarsten tong, onderontwikkelde hand- en voetbeentjes, hartmisvormingen en onderontwikkelde hersenen. Niet tegenstaande zulk een grote abnormaliteit zou de directeur van de Breslause psychiatrische kinderkliniek een duidelijk snellere geestelijke ontwikkeling en een vermindering van de over beweeglijkheid hebben geconstateerd. Hij vindt dat koninginnegelei superieur is aan alle andere medicijnen (niet uitgegeven publicatie).
Decourt (1956) deed proeven met dagelijkse doses van 25 mg koninginnegelei. Bij 60% van de gezonden was niets te merken, 40% toonden euforie (opgewektheid), grotere weerstand tegen vermoeidheid, vaak een zekere bevangenheid. Het leidde niet tot gewenning, noch tot een later optredende depressie. Ook veel kleinere doses werkten. Bij allen nam de eetlust toe. Tevens werd een brosse schilferige huid genezen, hoewel de koninginnegelei niet op de huid was aangebracht maar via de mond ingenomen. Met sterke doses ken men seborrhöe (ziekelijk vettig, roosachtig eczeem op gezicht en hoofdhuid, ook op armen en overige lichaamsdelen) beter bestrijden dan met alle andere middelen.
Destrem had in 1958 bij inneming via de mond opvallend goede werking tegen ouderdomsverschijnselen geconstateerd (niet gepubliceerd).
E. Malei, M. Pacenovska en D. Zarnuskova van de huidkliniek in Safarik hadden wratten met bet Tsjechische middel Vita-Apinol behandeld, dat 1% koninginnegelei bevat. Bij dagelijks opbrengen van het middel waren van de 16 patiënten met vlakke wratten 10 genezen. Nu zijn wratten geen goed object voor dergelijk onderzoek. Ze reageren op veel, ook op psychische invloeden. Frappant daarentegen was een geval van lupus (huidtuberculose). De zieke leed daaraan sinds 1946 en kwam in 1961 weer een maand naar de kliniek. Toen hij ontslagen werd waren er alleen nog littekens over die aan de ziekte herinnerden. In 1963 gebruikte hij 6 gr. van een zalf van honing en koninginnegelei. Na drie maanden waren de laatste tekenen praktisch geheel verdwenen. Een andere patiënt leed sinds 1945 aan erytheem in bet gezicht. In 1958 gebruikte hij 5 tot 6 gr. van een koninginnegelei-zalf. Het erytheem verdween. Hij gebruikt nu uit voorzorg elke zomer 2 tot 3 gr van de zalf. De doktoren kunnen geen spoor van erytheem meer ontdekken. Toch wordt dit niet als een bewijs gezien, aangezien zulke symptomen ook zonder behandeling soms komen en gaan. In 1964 publiceerden de Bulgaren P. Peitchev, S. Baikuchev en N. Nikiforov over proeven met koninginnegelei bij ouden van dagen tussen 60 en 100 jaar. Er werden drie groepen gevormd van elk tien personen. De eerste groep kreeg viermaal per week een intramusculaire injectie van 100 ml koninginnegelei. De tweede groep kreeg een injectie van koninginnegelei met 5 ml van een 2% novocaïneoplossing. De derde groep kreeg niets. Resultaat na drie weken: bij 5 personen was de bloeddruk gedaald met 20 tot 60 mm, 8 voelden zich sterker, 1 had meer eetlust en sliep beter. Jammer genoeg ontbreekt een opgave uit welke groep deze gevallen komen.
Hoewel men tot nu toe niets weet over de oorzaken van de werking, zijn de onderzoekingen in Rusland, Roemenië, Joegoslavië, Italië, België, China, Polen, de Verenigde Staten enz. voortgezet.
Bron: Bijen honing gezondheid, Edmund Herold.