Home • Kennis • Bijenproducten • Lectuur • Imkers • Dieren • Contact

Bijengif

Koninginnegelei

Propolis

Stuifmeel

Honing

Disclaimer

Pollen (stuifmeel) sleutel der vruchtbaarheid

Stuifmeelsoorten vormen een wereld op zichzelf. Van de grootste soorten gaan er 14.000 kor­rels in 1 gram, maar er zijn talloze kleinere pollensoorten, waarvan 300.000 korrels in 1 gram gaan. Juist daardoor zijn er overal pollen en mensen die aan hooikoorts lijden kunnen daar over meepraten. Heidegron­den en bossen produceren jaarlijks tonnen stuifmeel. Zeker, een deel daarvan wordt door de bijen vergaard, en wordt ook door bijen verwerkt en opgegeten: de jaarlijkse verza­melprestatie van een bijenvolk ligt zo tussen de 30 en 60 kg. In Oostenrijk zijn ongeveer 400.000 bijenvolken die door 30.000 imkers worden verzorgd. Als we uitgaan van een maximale verzamelprestatie, dan komen we op 24.000 ton ‘productief’ gemaakte pollen. En dan blijven er nog duizen­den tonnen over in de natuur.

Geleerden uit de hele wereld hebben ontdekt dat 90% van alle allergische aanvallen veroorzaakt worden door de stuifmeel van planten uit de Ambrosiafamilie, vooral van de Al­sem ambrosia, die met name in Amerika veel voorkomt, en van Bijvoet uit het Alsein-geslacht.

Pollen, stuifmeel, is het manlijk beginsel van de plant. Hij wordt door de wind of door bijen naar vrouwelijke bloempjes gebracht om die te bevruchten. Dat was al ten tij­de van de Hebreeërs bekend. In het oude Assyrië kende men zelfs een jaarlijkse plechtigheid waarbij de pollen van de manlijke dadelpalmen op de vrouwelijke dadelpalmen wer­den gebracht.

Dat stuifmeel voedsel is voor de bijen weet op het ogenblik iedere kleuter die op televisie naar de film ‘Maja de Bij’, naar het gelijknamige boek van Waidemar Bonsel, heeft ge­keken. Minder bekend is echter dat pollen vooral in het voorjaar door speciale stuifmeelverzamelaarsters onder de bijen naar de kast wordt gebracht. Wij danken die kennis aan het onverdroten onderzoek van Karl von Frisch. Die speciale bijen vervoeren de pollen aan de zogenaamde verza­melpoten, die daartoe zijn voorzien van een soort uithol­ling, ook wei korfje genoemd, dat omgeven is door lange haren. In dat korfje wordt de stuifmeel vervoerd. imkers spre­ken over ‘stuifmeelbroekjes’. Zoals we al eerder hebben op­gemerkt is stuifmeel de gangbare benaming. In medisch ver­band en ook door chemici wordt het woord pollen gebezigd.

Doordat de pollen door de bij ietsje met honing wordt be­vochtigd, waar nog een bepaalde afscheiding uit de boven­kaken bijkomt, is de pollen niet alleen houdbaar, maar kan ook tot een stevig klontje worden samengedrukt. In de korf worden de klontjes handig van de poten verwijderd door de bij zelf, of door jonge huisbij en, waarna ze direct in lege cel­len worden gedeponeerd. imkers bouwen ook wel zoge­naamde ‘stuifmeelvallen’ bij de ingang van de kasten, een soort constructie waardoor de pollen van de poten van de verzamelbijen worden gestreken, voordat de bijen de kast binnengaan. Zo’n val bestaat uit kleine, stervormige vlieg­gaten, waar de bijen zich met draaiende bewegingen door­heen moeten wurmen. Hierdoor blijft het grootste deel van hun stuifmeelvracht achter. De pollen valt in een, eronder aan­gebrachte bak, die is afgedekt met een zeer fijnmazig net, omdat anders de bijen de pollen er weer uit zouden halen. Vooral als een volk druk bezig is met broed heeft het veel pollen nodig. Het is immers niet alleen voedsel voor de lar­ven, maar ook voor de voedsters zelf. Men heeft al vrij gauw ontdekt dat pollen noodzakelijk is voor het produce­ren van koninginnegelei, ook wel koninginnepap genoemd, in de speekselklieren van jonge huisbijen.

Met het oog hierop is pollen, stuifmeel dus, door allerlei geleerden nader onderzocht, waarbij zij tot de ontdekking kwamen dat het een bijna volmaakt voedingsmiddel is. Stuifmeel bevat alles, wat niet alleen een bij, maar ook een mens nodig heeft om in leven te blijven. Vooral Russische geleer­den, en wel in het bijzonder Tsitsin hebben geconstateerd dat zich onder de vele honderdjarigen in hun land veel im­kers en boeren bevonden, die regelmatig pollen aten, dik­wijls in de vorm van zogenaamd ‘bijenbrood’, het voedsel van de larven, dat bestaat uit nectar, pollen en fermenten, dat bewaard wordt in gesloten cellen. De gezondheidstoe­stand van die oude mensen was uitzonderlijk goed. Bepaal­de ziekten, zoals kanker, volksvijand nummer 1, kwamen daar helemaal niet of hoogst zelden voor. 

Pollen, een supervoedingsmiddel

Al spoedig rees het vermoeden dat pollen een supervoedsel moest zijn, waar alle essentiële voedingsstoffen in vertegen­woordigd zijn.

Bij uitgebreide en nauwkeurige analyses bleek dit inder­daad het geval te zijn. Hieronder volgt een analyse van een doorsnee stuifmeel, vrij naar R. Delperée, in La Gazette apico­le, oktober 1959):

            water                                         4 %
            gereduceerde suikers               20 %
            niet-gereduceerde suikers          5 %
           
zetmeel, koolhydraten              4,5%
           
eiwitten                                   20  %  
            vrije aminozuren                       10 %
            as                                               3 %

In de hiervolgende tabel worden de aminozuren gedifferen­tieerd in percentages van de droge massa:

            arginine            4,4-5,7%
            histidine            2,0-3,5%
            isoleucine         4,5-5,8%
           
leucine              6,7-7,5%
            lysine                5,9-7,9%
           
methionine        1,7-2,4%
            fenylalanine      3,7-4,4%
            tryptofaan        1,2-1,6%
            valine               5,5-6,o%

 

Aminozuren zijn de bouwstenen van eiwitten. Ze kunnen niet door het lichaam zelf worden samengesteld, maar moeten worden aangevoerd. In welke hoeveelheden, daarover lopen de metingen nog uiteen. Er gaan de laatste tijd steeds meer stemmen op die beweren dat kleine hoeveelheden beter zijn dan grote: circa 30 g per dag.

We moeten daarbij ook nog bedenken dat de grote eiwit­ten de liquordrempel van de hersenen niet passeren kunnen. Aminozuren kunnen dat wel en zijn daardoor van groot belang voor de stofwisseling in de hersenen (geheugen, leren, reactievermogen).

In pollen zijn 20 van de ons bekende 22 aminozuren ge­vonden, waaronder: alanine, arginine, asparaginezuur, cystine, glutaminezuur, glycine, histidine, hydroxiproline, leucine, isoleucine, lysine, methionine, fenylalanine, trypto­faan, proline, serine, threonine, valine en het vrij zeldzame alfa-amino-boterzuur.

De nu volgende tabel illustreert hoe efficient de amino­zuur-verzorging van de mens door stuifmeel is. Het amino­zuurgehalte wordt in percentages weergegeven.

Voedingsmiddel

aminozuur

rundvlees

ei

kaas

stuifmeel

dagelijkse behoefte

isoleucine

0,93

0,85

1,74

4,5

2,7

leucine

1,28

1,17

2,83

6,7

4,0

lysine

1,45

0,93

2,34

5,7

3,0

methionine

0,42

0,39

0,80

1,8

2,1

fenylalanine

0,66

0,69

1,43

3,9

4,2

threonine

0,81

0,67

1,38

4,0

2,0

tryptofaan

0,20

0,20

1,34

1,3

0,5

valine

0,91

0,90

2,00

5,7

3,0

 

Uit een eenvoudige berekening volgt dus dat 100 g stuifmeel evenveel aminozuren bevat als 1/2 kg rundvlees of zeven ei­eren. In totaal zijn dus 30 g stuifmeel per dag voldoende om in de eiwitbehoefte van een volwassen mens te voorzien - en dat zijn slechts 3 theelepels.

Stuifmeel is ook rijk aan mineralen en sporenelementen, wat blijkt uit de volgende tabel in procenten-as uitgedrukt:

kalium              20-45

magnesium        1-12

calcium              1-15

koper            0,05- o,o8

ijzer              0,01- 0,3

silicium            2- 10

fosfor                1- 20

zwavel              1

chloor                0,08

mangaan            1,4

In tijden van natriumoverschot en kaliumgebrek is pollen dus beslist een goede aanvulling op het dieet.

Pollen bevat verder vitaminen - bijna alle vitaminen die de mens nodig heeft. 100 g doorsnee pollen bevatten tot 1 g vitamine-A (axerophtol), dat onontbeerlijk is voor een goede oogfunctie, vitamine-D, vitamine-E, vitainine-B1, B2, niacine, pantotheenzuur, foliumzuur, vitamine-B6 en B2, vitamine -H en tot o,8 g vitamine-C. Vitainine-P, waarvan nog niet is vastgesteld of hij behoort tot de essen­tiele stoffen, hoewel hij goed is bij het voorkomen van capil­laire bloedingen, komt bijvoorbeeld voor in boekweitho­ning, tot 0,017%.

Al naar gelang de soort bevat pollen tussen de 1 en 20% vet. Het betreft hier plantaardige vetten die het menselijk organisme slechts in geringe mate belasten. Ongeveer 50% ervan zijn onverzadigde vetzuren, linolzuur, linoleenzuur en arachidonzuur. Hoewel deze vetten, gezien de geringe hoe­veelheden een ondergeschikte rol spelen, hebben toch onver­zadigde vetzuren, zelfs in geringe hoeveelheden, een kataly­serend effect, volgens de Duitse biochemica Dr. Johanna Budwig, en zijn dus verre te verkiezen boven verharde vetten als margarine en dierlijke vetten.

Pollen bevat verder suikers, groeistoffen en talloze enzy­men, waaronder cozymase, diaforase en cytochromxydase, voorts antibiotica en hormonen.

En nu kunnen we eindelijk een streep zetten onder deze chemische verhandeling en het geheel in het kort samenvat­ten: wie zich, zelfs maandenlang uitsluitend en alleen zou voeden met pollen, zal beslist geen deficiëntieverschijnselen krijgen als gevolg van een onvolwaardige voeding - pollen is en blijft een volwaardig voedingsmiddel. Het enige zal zijn dat door gebrek aan vezelstoffen als cellulose de darmfunc­tie vrij traag zal worden en er dus waarschijnlijk obstipatie zal optreden. Pollen is niet alleen een wereld op zichzelf, hij

is ook een buitengewoon subtiele uiting van plantaardige harmonie. Dat de bij dat heeft ‘ingezien’, dat ze zich met pollen voedt en hem in verdunde vorm als koninginnegelei aan haar larven en toekomstige koningin geeft, zegt toch wel veel over haar instinct.

Het gebruik van pollen is bovendien een goed voorbeeld voor het in de natuurgeneeskunde altijd voorgestane princi­pe van een breed spectrum van werkzame stoffen. Gelukkig zijn op het ogenblik ook veel allopaten tot het inzicht geko­men dat ze alleen in de allergrootste uitzonderingsgevallen zich moeten houden aan de door eerzuchtige chemici in­geslagen weg van de geïsoleerde therapeutische stof. Juist in natuurlijke vorm voorkomende combinaties en werkzame stoffen grijpen beter in in het zieke organisme dan een speci­aal geïsoleerde stof kan doen. Daarvan zijn genoeg voor­beelden bekend.

 

Bron: De geneeskracht van bijen, Paul Uccusic